Tekstversie (gedeelte):
Uit de steengroeven
door MONIQUE KOUDIJS
“Kijk, dit is een dansend olifantje." Wim Tap geeft een rondleiding door zijn atelier en laat een stukje boomwortel zien. Aan de wand hangen foto's van imposante rots- en wolkenformaties, een voetafdruk in het zand, een inheems volk uit het Amazonegebied, het heelal met zijn planeten. Afgezien van een enkele detailfoto hebben de afbeeldingen iets overweldigends, iets dat verder reikt dan de concrete werkelijkheid. Hoewel Tap benadrukt wars te zijn van metafysica, ademen zijn beelden wel die sfeer. Komt het door de afmetingen, het materiaal, de vormen?
Naar boven
Wim Tap, geboren in 1938 te Gendt, begon zijn loopbaan aanvankelijk met schilderen. Hij werkte twee jaar in Academie '63 en had in 1964 zijn eerste expositie. Op zijn dertigste jaar maakte hij de overgang naar ruimtelijk werk en is daar, in hoofdlijn, niet meer van afgeweken. Sindsdien werkt hij voornamelijk met rotsblokken, afkomstig uit verschillende steengroeven in Europa, zoals Bretagne, de Eifel en de Ardennen. "Het materiaal is concreet, tijdloos en van een blijvende natuurlijkheid."
Inmiddels staan zijn beelden in Amsterdam, Den Haag, Bloemendaal, Amersfoort en IJmuiden, maar hij blijft onzeker. "Ik heb dagelijks twijfels over de zin van kunst. Dan denk ik soms: waar is het voor nodig, al die moeite, was ik maar bakker, dan was het nut van m'n werk tenminste duidelijk ." Toch werkt hij vanuit een behoefte. "Ik maak geen dingen om te verkopen, maar omdat ze gemaakt moeten worden.” In zijn dagelijkse zoektocht, waarin hij het gevoel heeft ‘iedere dag opnieuw te moeten beginnen', zegt hij zich enkel bezig te houden met de concrete beeldvorm, maar in zijn betogen spreekt hij een andere taal. Dan is hij op zoek naar de samenhang der dingen, gefascineerd door de grootsheid van de kosmos. Voor een opdracht in een modern winkelcentrum "met parkeerplaatsen en de hele kongsi van Blokker. Hema en Albert Heijn" zal hij dan ook beleefd bedanken, "dan zit je daar als kunstenaar en denk je ‘oh, moet ik daar ook nog tussen'."
Bij zijn atelier liggen twee immense rotsblokken. Massief, ongenaakbaar. "Regelmatig ga ik naar steengroeven en bekijk wat ik daar kan gebruiken. Op basis van foto's, schetsen en modellen zoek ik verder naar een interessante vorm of combinatie.” Tijdens het hakken werkt hij intuïtief, vanuit de emotie van dat moment, hetgeen hem stoort, omdat zijn gevoel iedere dag weer anders kan zijn. "Kom ik de ene dag mijn atelier binnen en vind ik het mooi wat ik gemaakt heb. Maar een dag later ben ik in een andere stemming en heeft het beeld niet de kracht mij te overtuigen. Dat stoort me. Dan denk ik: mijn stemmingen zijn dus meer bepalend dan het ding zelf.”
Als de winter voor de deur staat, pakt hij zijn rugzak en vertrekt naar zijn hutje op Mallorca. In die omgeving, tussen de bloeiende struiken en met uitzicht op bergen en zee, wil hij zijn worsteling nog wel eens onderbreken. "Daar is de natuur nog zo mooi en onbedorven, dat ik denk 'waar is het voor nodig? Ik doe maar niks hier', maar dan pak ik ineens een kwast en komt er toch weer zo'n blauw schilderij uit." Tap trekt het doek uit de stapel. Een dreigend wolkendek trekt naar de randen, om plaats te maken voor een klein stuk helder blauw en een fris wit bloesemtakje.
Uitgave: Stadsdeel Zeeburg
Productie: STAP TK&O
Tekst: Monique Koudijs
Vormgeving: Liesbeth Baks
Fotografie: Pieter Kers
Naar boven |