Naar HomepageNaar PortfolioNaar Contactpagina

Opdrachtgever: AJUUS MAGAZINE

Opdrachten:
Datum: 2007

Kunstenaar Wim Drion, emigrant op Paros; interview, research en fotografie t.b.v. Ajuus-magazine

Op zoek naar La Dolce Vitae, schrijfster Rosita Steenbeek in Rome

ROSITA STEENBEEK
Rosita Steenbeek
Foto: Ray Christian

Opdrachtgever: Ajuus magazine
[2007]

Schrijfster ROSITA STEENBEEK in ROME
Op zoek naar La Dolce Vitae

door MONIQUE KOUDIJS

Schrijfster Rosita Steenbeek woont inmiddels ruim twintig jaar in Rome. De plek was meer bedoeld als tussenstop, via een omweg richting Parijs met als eindbestemming New York. Ze is er niet meer weggegaan. Zelfs haar Nederlandse moeder zegt ‘je hoort in Rome, veel meer dan in Nederland’.

De ‘boudoirachtige kloostercel’ zoals Rosita haar huis beschrijft ligt aangevleid tegen de heilige Sint Juliaan der Vlamingen, in het centrum van Rome. Sterker nog: het ligt als een vogelnest verscholen  tussen de kerk, de oude bibliotheek en een theater. ‘De symbolen van mijn leven’, zegt de schrijfster. Vanaf het dakterras heb je een geweldig uitzicht over de stad.

‘Ik had ooit een Duitse filmmaker op bezoek die zei ‘dit is pure poëzie’. Het is zo’n historische plek. Onder de grond van het theater ligt bijvoorbeeld het Senaatsgebouw van Pompeius, waar Julius Caesar is vermoord. Het appartementje zelf was in de achtste eeuw onderdeel van een opvanghuis voor pelgrims uit de Lage Landen en het is ook een tijd een priestercollege geweest. Ik moet er eigenlijk niet aan denken ooit van dit plekje weg te gaan, hoewel ik ook wel eens een tijdje in New York of Rusland zou willen wonen.’

Naar boven

Passie in Rome

Het ‘woest-romantisch’ pensionnetje, waar haar avontuur begon, ligt op loopafstand. Ze is dan 27 jaar, heeft net haar studie afgerond en denkt ‘en nu het leven in.’ In het dagblad Trouw zei Rosita ooit altijd begerig te zijn geweest naar het grootse leven, naar intensiteit, diepere vriendschapsbanden en grotere passies. Ze wil haar geluk in de film beproeven, had al wat rollen gespeeld, onder meer een hoofdrol in de tweede film van Theo van Gogh (Charley, 1986).

Rosita: ‘Ik houd erg van de Italiaanse film, maar het was vooral ook een mogelijkheid een tijdje in het buitenland te zitten. Bovendien wilde ik  de schoolreis naar Rome inhalen die vanwege mijn hersenbloeding aan mijn neus voorbij ging. Als degelijke gymnasiumklant ben ik opgevoed met de klassieken en Rome wordt door die kennis een vertrouwde stad. Ik had helemaal niet het plan daar te gaan wonen.’

Toch, als ze op het filmfestival van Venetië een Nederlandse journaliste tegenkomt en haar even later weer ontmoet in Rome, neemt ze een ferm besluit. Rosita: ‘Het was oktober en heerlijk weer. We zaten samen op een terras en zeiden tegen elkaar ‘Eigenlijk is het hier veel fijner dan in Nederland. Waarom blijven we niet?’ In de zoektocht naar ‘het grootse leven’ prikkelde Rome. ‘Wat ik meteen al geweldig vond waren de kleuren van de huizen en natuurlijk het klimaat, maar ook de manier waarop de Italianen met je omgingen, heel open, charmant en met humor. Ik vond het leven er avontuurlijk, gek, verrassend en inspirerend.’

Zo is het met een Italiaan onmogelijk een afspraak te maken over twee weken om kwart over zeven, zegt Rosita. ‘Want wie weet wat het leven dan weer biedt. Je zegt ‘ga je over een uur mee eten?’ En als er andere mensen aanschuiven, is dat ook goed.’

Ze las ergens een anekdote over een Italiaanse winkelier die even weg was en een briefje op zijn deur had achtergelaten met de tekst ‘misschien ben ik zo terug’. ‘Dat vind ik zo kenmerkend. Als je daar de humor van inziet, ontrolt het leven zich vanzelf. Maar er zijn ook mensen die gek worden van het feit dat je geen afspraken kunt maken. Ik vind het juist heel erg prettig dat leven in het hier en nu.’

Onderaardse gangen

Rosita zit tegenover mij in een luie stoel. Regelmatig schiet ze in een aanstekelijke lach. ‘Italianen zijn speels, je belandt voortdurend in absurde situaties, tenminste als je ervoor openstaat.’ Als voorbeeld noemt ze het kattengala. ‘Ik vond een uitnodiging in de bus  van de katten van het kattenforum. Op het Largo Argentina, vlakbij  mijn huis wordt aan de zijkant van vier tempelruïnes een kattenopvangcentrum gedreven. Het gala, in een schitterende villa aan de rand van Rome, was bedoeld om geld voor de opvang in te zamelen. Ik  ontmoette daar een journalist die er een stukje over schreef. ‘Houd je van katten?’, vroeg ik hem.

Hij hield eigenlijk niet zo van katten, zei hij, meer van honden. Bleek hij lid te zijn van de hondenclub. Hij nodigde mij uit mee te gaan met een kanotocht van de hondenclub door de onderaardse gangen van Rome. Dan denk je ‘ik ga even de deur uit voor een verplicht kattengala en even later vaar je met de hondenclub (lacht aanstekelijk) over een onderaardse rivier onder Romeinse tunnels door. Heel verrassend allemaal. Je moet er natuurlijk wel induiken. Ik sta er open voor.’

Naar boven

Met de journaliste betrok Rosita Steenbeek een appartement op de Aventijn en verliet daardoor voor een tijdje de levendige binnenstad. Heimwee naar het kloppend hart bracht haar na drie  jaar weer terug in het centrum. Ze is dan al bezig met haar eerste boek. ‘Tijdens een lezing in het Belgisch Instituut in Rome kwam ik een leuke man in een zwart pak met een wit boordje tegen, Monseigneur Quintgens. Hij leidde de lezing in en ik vond het zo’n geestige man.

Na afloop kwam hij naar mij toe en zei: ‘U lachte zo lief naar mij, kennen wij elkaar?’ We raakten aan de praat en hij vroeg waar ik woonde. Ik zei: ‘dat is het probleem. Ik zoek een stille plek om te schrijven’. De volgende dag had ik een afspraak met hem en toonde hij mijn huidige huis. Ik had meteen zoiets van ‘Dit is het, hier wil ik niet meer weg’. ‘De muren zullen je verhalen vertellen’, zei de monseigneur en dat is gebeurd.’

Liefde voor Fellini

In 1994 kwam haar eerste boek uit gebaseerd op haar liefdesverhoudingen met de beroemde filmmaker Federico Fellini en de Italiaanse schrijver Alberto Moravia, voorafgegaan door een liefde op Sicilië. Het acteren raakte daardoor al snel op de achtergrond.

Rosita: ‘De echte band met een land begint vooral door de liefde en spannende ontwikkelingen op werkgebied. Daardoor blijf je en krijg je er wortels. Je leert de taal steeds beter spreken, vooral door die Italiaanse liefdes gaat dat snel. In het begin sprak ik de taal nog niet, wel vloeiend Frans.’

Hoewel ze zich vanaf het begin thuis voelt in Rome, heeft ze aanvankelijk het meeste contact met een hecht internationaal gezelschap, vooral journalisten en mensen uit de kunstwereld. Ze ontmoet ze dagelijks in een stamcafé. Door haar contact met journalisten hoort ze het Italiaanse nieuws uit de eerste hand en leert het land snel kennen.

Het contact met Italianen beperkte zich aanvankelijk tot de set. Ze speelde wat kleine rollen in tv-series en films. ‘Daar heb ik ook de oude makkers (Fellini en Marovia, red) ontmoet. Dat was natuurlijk heel bijzonder. Ik zag ze bijna dagelijks. Moravia zag ik meestal alleen. Met hem ging ik vaak naar de bioscoop. Door de hechte vriendschap met een Italiaan die daar al zo lang woont en er ook over schrijft, raak je thuis in een stad.

Met Fellini verkeerde ik vooral in grote, veelal Italiaanse gezelschappen. Het schijnt wel een tijdje te duren voordat je bij Italianen thuis wordt uitgenodigd, maar ik verkeerde vooral in een alternatief circuit, dat is toch anders. Verder vind ik het eigenlijk wel prettig een buitenlander te zijn. Waar dan ook. Je kijkt met een frisse en verbaasde blik de wereld in, niets is vanzelfsprekend. Het gevoel van ‘daar hoor je’, dat ken ik niet zo.’

Naar boven

Weelderig decor

Zwervers, grafrovers, monseigneurs en beroemde filmmakers: Steenbeek ontmoet ze allemaal. Rome groeit uit tot een weelderig decor voor haar boeken en de Italianen zijn voor haar de ideale acteurs. ‘Italië heeft mij heel erg gevoed en doet dat nog steeds. Het decor van oude tempels en paleizen: dat krijgt je meteen al cadeau als je de Italiaanse wereld beschrijft. Die aanwezigheid van de geschiedenis vind ik heel indrukwekkend. Eeuwen liggen hier in Rome bovenop elkaar gestapeld, letterlijk, en je wordt er in het dagelijkse leven voortdurend mee geconfronteerd.

Voor mijn boek ‘Schimmenrijk’ ben ik reizen gaan maken in Toscane, Latium en Umbrië, op zoek naar verhalen over de wereld van de Etrusken. ’s Nachts ging ik met grafrovers mee op waanzinnige locaties. Je komt in een romaneske wereld terecht en hoort de prachtigste verhalen over Etruskische mythologie.’

Na twintig jaar verveelt de stad haar nog geen moment. De herinneringen stapelen zich op en de band met het land verdiept zich alleen maar, vindt ze. ‘Dit land is een onuitputtelijke bron. Er valt zoveel te ontdekken en mee te maken. Daar is een leven niet genoeg voor. Je indrukken worden steeds verfijnder. De grote toeristenattracties ken ik nou wel, maar er is zoveel meer.‘

Ze bezocht Napels, een van de meest criminele steden van Italië. Een stad waar volgens de schrijfster ‘niemand aan hun humor kan tippen, maar waar tegelijkertijd voortdurend mensen van hun brommertje worden geknald.’ Geholpen door haar Italiaanse uiterlijk en manier van kleden, en als enige concessie een Napolitaanse krant onder haar arm, bezoekt ze met opzet (‘uit pure nieuwsgierigheid’) de Spaanse wijken, de achterbuurten van Napels.

‘In een ongelooflijk armoedig cafeetje bestelde ik een glas wijn voor dertig eurocent. Aan de bar zat een oud mannetje een peertje te eten en deelde aan iedereen in het café partjes uit (Rosita begint weer te schateren). Geweldig om dat mee te maken.’ Napels is echt een stad van uitersten, vindt ze.

Stil plekje

Het appartement van Rosita staat middenin het centrum. Vlakbij zijn de barretjes en terrassen, evenals de volgens Rosita ‘mooiste pleinen van de wereld’ Piazza della Rotonda met het best bewaarde monument, het Pantheon, en de Piazza Navona.

’s Ochtends vroeg, om 8.30 uur, wanneer de pleinen nog niet volstromen met toeristen, wandelt ze op haar gemak door de stad, bestelt een cappuccino en een cornetto (een zoete croissant) aan de bar en maakt wat aantekeningen of leest de krant. Wanneer de drukte begint aan te zwellen, verdwijnt ze - tot de lunch - weer in ‘haar kloostercel’ om verder te werken aan haar boek.

‘Ik ervaar het centrum van Rome als een huis en ik heb daar een heel klein, stil plekje waar ik mij terug kan trekken.’ De pleinen zijn haar ‘salons, leeszalen en koffiekamers waar ik mensen ontvang’. Zelfs haar Nederlandse moeder is het erover eens: haar persoonlijkheid past beter in Italië dan in Nederland.

In Nederland zou ze toch een beetje verpieteren, bekent ze eerlijk. ‘In Italië voel ik mij veel meer leven. Ik heb eigenlijk altijd een geluksgevoel als ik met het vliegtuig land, ook na twintig jaar. Dat heb ik nooit in Nederland. Mijn dierbaarste mensen wonen in Nederland, familie en vrienden. Als ik die mee zou kunnen nemen, hoefde ik niet meer in Nederland te zijn, zo extreem is het.’

Ze roemt de hartelijkheid en gastvrijheid van de Italianen. Rosita: ‘Als je in Italië een restaurant binnenloopt, word je stralend begroet. De ober gedraagt zich als een gastheer, die het bijna een eer vindt jou te verwennen. In Nederland is het toch een beetje van ‘nou ja, wat moet je hè, ik zou liever iets anders doen, maar wat wil je eten?’

Italianen zijn speels, kunnen beter improviseren en meer bewonderen, vindt Rosita. ‘Als je mooi gekleed bent, wordt het uitgesproken. Door mannen en vrouwen. Oh, wat zie je er mooi uit’ en dat is welgemeend. En ‘la donna’ hè, dat is toch wel het meest geweldige wat er bestaat, de vrouw. Ook als je ouder bent, word je niet minder bewonderd of het hof gemaakt. Je blijft je hele leven vrouw daar.

En je ziet ook dat oudere dames zich echt prachtig aankleden, hun haren doen, juwelen, en zich daar ook naar gedragen. De mannen vind ik heel charmant, maar niet opdringerig. Wat dat betreft vind ik dat imago van vrouwenversierders wel meevallen. Ik ben in mijn leven meer geconfronteerd met overspelige Nederlanders dan met onbetrouwbare Italianen.’ 

Naar boven

Jubeljaar

Is er dan niets wat vervelend is aan Italië? Het is even stil. Rosita: ‘Daar moet ik echt goed over nadenken hoor. Waar ik wel aan wennen moest, was de eindeloze rij voor het postkantoor. Nu neem ik gewoon een krant mee en kijk wat om mij heen.

Verder kunnen Italianen ontzetten zeuren over hun gezondheid. Bij het minste of geringste hollen ze naar de apotheek of de dokter. Laatst zat ik bij een taxichauffeur in de auto en die klaagde dat ‘ie zo ontzettend ziek was geweest, wel 38 graden koorts. Dan heb je toch als nuchtere Nederlander zoiets van ‘stel je niet zo aan’.

Het k an eindeloos duren voordat bijvoorbeeld je telefoon wordt aangesloten en helpt het als je de juiste mensen kent.’ In haar huidige appartement was aanvankelijk geen telefoon. De Monseigneur zei toe daarvoor te zullen zorgen en de volgende dag stond er een jongeman voor haar deur met de bekabeling.

Rosita: ‘Soms kunnen die dingen eindeloos duren, maar als de Monseigneur van de kerk zegt ‘ik moet een telefoon hebben’ is het de volgende dag geregeld.’ Door de contacten van diezelfde Monseigneur had de Nederlandse schrijfster het voorrecht in het Vaticaan aanwezig te zijn bij de opening van het Jubeljaar.  ‘Ik heb met mijn neus vooraan gezeten.’

Eeuwige liefde

 ‘Je bent pas echt thuis als je er mensen verloren hebt.’ Rosita heeft het citaat ooit gelezen en herkent er veel in. Vlak na elkaar stierf de journaliste (Marion Derksen) waarmee ze aanvankelijk samenwoonde en haar twee beroemde Italiaanse geliefden Fellini en Moravia. Rosita: ‘Ik heb al zoveel meegemaakt daar. Er liggen zoveel herinneringen. En het was allemaal zo intens.’

Rome blijft een eeuwige liefde, zegt ze. In Nederland krijgt ze heimwee naar Italië, niet andersom. ‘In periodes dat het niet goed gaat met dierbaren in Nederland, dan ben ik er. Ik ben ook heel blij dat ik vanaf de Etna onmiddellijk naar huis ben gekomen, toen mijn vader ernstig ziek werd. Er was mij zelfs gevraagd de Odyssee na te reizen, een geweldige opdracht natuurlijk, maar ik toen dacht ik ´nee, nu moet ik in de buurt zijn van mijn vader’.’ 

We zitten in zijn studeerkamer in Amersfoort. Ze is bezig de laatste hand te leggen aan een tweede boek over Rome. Dit is een plek waar ik erg aan gehecht ben. Tijdens de middelbare school zat ik hier al te studeren. Hier schrijf ik de laatste versie van mijn boeken.

 Italië is er voor de spontane eerste indrukken en onverwachte gebeurtenissen. Hier zet ik de stroom van nieuwe ervaringen even stil om het zo goed mogelijk op papier te krijgen. Zodra ik hier ga zitten met de boeken van mijn vader om mij heen, weet ik dat het goed komt.’ Maar is ze er te lang, dan grijpt moeder Steenbeek in. ‘Ze zal mij nooit wegjagen. Het gaat heel harmonieus tussen ons, maar ze beseft dat ik in Italië hoor, daar ben ik op mijn plek.’

Naar boven

© Monique Koudijs